Aapjes kijken op Koninginnedag

03-05-2012

Zo als iedereen wel weet, kan ik het met Beatrix best goed vinden. Met enige regelmaat komt ze opdraven in mijn werk. En het moet gezegd, dat doet ze best leuk.
Maar aan haar dag heb ik echt een schurft-hekel. Zij heeft er ook niet zoveel mee, maar dat kan je als koningin natuurlijk niet zeggen.

Zij kan zich er dus niet aan onttrekken. Ik gelukkig dit jaar wel. Koninginnedag in de veenkoloniën. Wat een weelde. Geen moment die twijfel gehad die me elk jaar weer bevangt. Of ik toch niet even de stad in moet. Elk jaar wel weer ergens bang iets "leuks" te missen. Of vrienden aan de telefoon die je hartstochtelijk smeken om toch niet zo'n saaie lul te zijn. Wat dan uiteindelijk vaak weer het besluit tot gevolg heeft, dan toch maar even te gaan. Een beslissing die elk jaar onvermijdelijk weer binnen een half uur gevolgd wordt door chagrijn, zelfvervloeking en enorme dosis mensenhaat.

Waarschijnlijk is er zak gelopen in Nieuw Buinen, maar op een of andere manier heeft dat toch niet zo'n erorme magneetwerking op mij. Mijn interesse heeft grenzen. Heel gezond voor mijn welbevinden.

Wij in Amsterdam weten natuurlijk dat op zo'n dag als vandaag heel provinciaal Nederland naar ons toe komt. Gezellig. En verdomd, het was hier inderdaad stiller dan op een doordeweekse zondag. En dat is bijzonder want het is hier nogal stil op zondag.

Al vermoed ik wel dat het grootste gedeelte van dit stukje provincie niet veel verder gekomen is dan Stadskanaal. Ook gezellig. Al zijn de woorden gezellig en Stadskanaal nou niet echt twee woorden die vaak met elkaar in verband zullen worden gebracht. Ze doen hun best. En op koninginnedag hebben we het allemaal verplicht heel gezellig met elkaar, dus ook in Stadskanaal.

Ik heb maar een malloot met zo'n oranje opblaas-kroon gezien. In z'n eentje in de auto. Richting Duitsland. Waarschijnlijk op weg naar die oud-ijzer-verkoper tussen Eerste en Tweede Mond, die met oranje krijt in enorme hanenpoten twee schoolborden vol gekalkt had met de aankondiging van een rommelmarkt op de dertigste april. In zijn tuin. Waar het volgens mij altijd rommelmarkt is. Met de nadruk op rommel. Een soort van rommel-marketing. Je kan niet anders dan voor zo iemand hopen dat het hem iets opgeleverd heeft.

Naast die kroon- je zou verwachten dat dingen na tien jaar weleens een keer lek zouden zijn, of zullen Chinese kinderhandjes elk jaar opnieuw weer een paar honderdduizend nieuwe in elkaar plakken?- was het enige oranje object dat op de geboortedag van de moeder van Beatrix mijn ogen geteisterd heeft, een zielig mandarijntje dat sinds een paar dagen eenzaam en alleen op  mijn  parkeerplaats lag te wachten op de onvermijdelijke verpletting onder een Michelin profiel.

Niks mis met dat mandarijntje. Zat geen vlekje op. Zat goed in z'n schil. En toch heeft iemand besloten z'n autoraam naar beneden te draaien en het fruit aan het asfalt te doneren. Misschien ook een hekel aan oranje. Dat kan natuurlijk.

Of iemand die dacht dat die arme kunstenaar misschien wel honger had. Dat kan natuurlijk ook.

-----------------------------------------------------------------------------------------------

Rustig hier dus, doch niet uitgestorven. Ik woon aan een halve snelweg. Waarover, op een normale maandagochtend een groot gedeelte van de veenkoloniën leegloopt om richting werk te gaan, daar dat een nogal schaars goed is hier. Maar koninginnedag is blijkbaar voor veel mensen een reden om een vrije dag te nemen. Toch wordt ook er op zo'n dag, waarop het verkeer met tachtig procent is afgenomen, meer naar mij getoeterd dan voor de televisie-uitzending. Ik blijf maar zwaaien. Ik lijk Beatrix wel. En natuurlijk geen idee naar wie.
Niet dat ik dat daarvoor wel had, maar toen kon ik nog met enige waarschijnlijkheid vermoeden dat het ging om, of Peergroupers, of om mensen die ik op z'n minst een keer gesproken had.

Ik ben heel slecht in het herkennen van auto's blijkt. Ondanks dat ik ondertussen hout hak als de beste, voor het eerst van m'n leven in een sloot gekukeld ben en eergisteren tot mijn grote verbazing een bierflesje opende met een aansteker, is het verjongens-proces dus nog niet geheel voltooid.

 

Misschien is het inderdaad een beetje raar. Een jongen die met zijn naaimachine in een container woont op een parkeerplaats.

Zwaar geladen auto met dikke dames scheurt de parkeerplaats op. Rakelings onder het balkon langs. Vier paar enorm uitpuilende ogen. Pas op mijn zwaai-commando één zuinig mollig handje.

Het zijn rare snuiters. Het volk dat wel op de been, of beter gezegd op de fiets is, op deze zonnige koninginnedag. Nou ben ik ondertussen wel wat gewend, maar het autisme-gehalte was  bovengemiddeld. Sinds Henry bij de kapper in Nieuw Buinen hoorde dat sommige mensen aan het begin wel een beetje bang waren geweest van die twee gestapelde containers en iets harder op de pedalen waren gaan staan zodra ze de parkeerplaats passeerden, ik bedenk dit niet, herken ik nu met regelmaat mensen, die na een snelle blik opzij, hier zo snel mogelijk vandaan spurten.

Nou komen er ook genoeg mensen leuk een praatje maken, maar er bestaat ook nog een gekke tussen-categorie. Mensen die hun nieuwsgierigheid niet in bedwang hebben, maar tegelijk aan contact-gestoordheid grenzende sociale vaardigheden hebben. Dit zijn, daar kan ik ook niks aan doen, meestal mensen die hier in de buurt ergens uit de klei getrokken zijn. En meestal van boven middelbare leeftijd.

Op het moment van schrijven staat er een man, fiets tussen de benen, enorme grijze snor onder z'n neus, op de oprit van de parkeerplaats naar mij te koekeloeren. Alsof hij niet begrijpt wat hij ziet. Alsof het raarste is wat hij ooit gezien heeft. En maar staan. En maar staren. Je ziet hem denken. Maar it doesn't compute. Komt niks vragen. Groet niet.
Maar hij steekt ten minste nog wel wel zijn hand op als ik naar hem zwaai.
Wat tevens voor hem het signaal is om er keihard weer vandoor te gaan.

Maar je kunt natuurlijk ook gewoon doen alsof ik onzichtbaar ben:
Er komt een echtpaar voorbij. Ze smoezen wat. Vrouw, altijd de vrouw, rijdt verder. Man stuurt tot onder het balkon. Leest de Pair banner. Werpt een slinkse blik omhoog waar zijn ogen de mijne even ontmoeten. Ik gooi er een goedemiddag uit. En wat doet hij?
Hij wendt z'n blik snel af en fiets zonder iets te zeggen achter zijn vrouw aan.

-----------------------------------------------------------------------------------------------

Een andere grijsaard komt in een gemoedelijk tempo de parkeerplaats oprijden op een in perfecte staat zijnde Sparta fiets. Stevig frame, onvermijdelijke fietstassen en een heel instrumentarium aan versnellingen, handremmen en buitenspiegels op het stuur.
Ik herinner me opeens dat ik als kind om de zoveel tijd de opdracht kreeg van m'n moeder om m'n fiets te gaan wassen. En bedenk opeens dat al die ouderen op hun glimmende goed onderhouden fietsen, zonder modderspatten, roestplekken, butsen of krassen, of nooit gaan fietsen als het regent, of elke week met doekjes, zeepsop en vet in de weer zijn.
Je fiets schoonmaken. Dat is iets wat, net zoals het lappen van ramen trouwens, nooit in mij opkomt als mogelijke activiteit om te doen.

De man in blauw spijkerpak stapt af in de schaduw van het monument. Steekt een sigaret op. En begint ongegeneerd een observatie-sessie in richting van de wijd naar de wereld geopende balkondeuren. De zon schijnt voor het eerst op een manier die aan de zomer doet denken en ik zit met ontbloot bovenlichaam een windmolen in elkaar te naaien. Ik steek een hand op, maar als daar niet op gereageerd wordt richt ik m'n concentratie weer op naald en draad en laat de zeventig-plusser lekker kijken. Als ik vijf minuten later weer opkijk, blijkt hij plotseling onderaan het balkon te staan. Blik nog steeds gericht naar boven. Naar mij dus. Hij verbreekt de ongemakkelijke stilte die volgt als ik hem ontdekt heb met een 'Wat is dit allemaal?'
Ik leg het hem uit. 'Ja', antwoordt hij, 'je moet toch iets doen voor de kost'. Om er verder het zwijgen toe te doen. Ik vraag hem of hij hier vandaan komt. Zijn korte antwoord is 'nee'. Ik wacht op meer, maar er komt verder niks dus vraag ik hem waar hij wel vandaan komt. 'Emmen' zegt hij kortaf. Om maar iets te zeggen zeg ik dat het een fijne dag is om te fietsen. Hij zegt: 'ja'.

Nou het wel duidelijk is dat het gesprek niet echt wil vlotten neem ik aan dat hij wel snel de aftocht zal blazen, maar niets is minder waar.
Zonder zijn blik af te wenden, trekt hij een buidel shag uit z'n binnenzak, begint een sigaret te rollen en steekt hem op. Hij blijft staren. Ik begin me een beetje ongemakkelijk te voelen en besluit m'n werkzaamheden maar weer op te pakken, als hij plotseling toch weer in staat blijkt een hele zin te produceren: 'Ben je lekker aan het zonnebaden?'
Helaas heb ik weer eens geen spitsvondigheid paraat en kom deze keer ook niet verder dan een  bevestigend eenklinker woord.

Erik wordt ondertussen een beetje nerveus van dat gekijk. En heeft ook niet zoveel zin meer om aan dat bijna  dode paard te blijven trekken. Dus besluit maar even een keer wat minder sociaal te doen en concentreert zich heel hard op zijn werk. De man blijft onbeschaamd staan turen tot dat hij zijn hele sigaret weg-gerookt heeft. Erik voelt hem kijken.
In de man zijn ogen valt absoluut niet te lezen wat hij denkt.
Dan zegt hij plotseling: 'We zullen zo wel onweer krijgen'.

Voor Erik iets kan antwoorden beent de man naar z'n glimmende fiets. Stapt op, en rijdt zonder te groeten weg.

-----------------------------------------------------------------------------------------------

Twee grijs gekopte en gebrilde dames stappen even van hun rijwiel net voorbij de oprit naar de parkeerplaats. Ze kwetteren wat naar elkaar en wijzen naar mij.
Ik zwaai naar ze. Zij zwaaien synchroon terug. Barsten dan in een enorm gegiechel uit.
Dan hoor ik eentje zeggen: 'Hahaha, hij zwaaide terug!'
Waarop ze nog steeds lachend hun weg vervolgen.

Het wachten is op het moment dat mensen niet alleen stiekem mandarijntjes durven achter te laten, maar gewoon onbeschaamd met pinda's gaan gooien.