Een ontdooiende ijspegel

28-05-2012

‘Het is een ijspegel’ heeft iemand tegen mij gezegd. De man straalt inderdaad niet de warmte uit die ik van een dominee verwacht had. ‘Maar hij begint langzaam te ontdooien’.

Dat zal flink wat wateroverlast geven, gevaarlijk als je in een kuil woont, want het is een flink uit de kluiten gewassen man. Een jongen eigenlijk nog. Ik weet zeker dat hij jonger is dan ik ben, en ik vind het moeilijk om hem met u aan te spreken.
Als hij me houterig voorgaat naar zijn kantoor voel ik me een mannetje. Iets wat ik altijd ben, maar wat ik meestal niet zo in de gaten heb. Ondanks zijn lengte mist hij het overwicht dat je van een notabele, als dat woord nog wat betekend tegenwoordig, zou verwachten. Hij oogt eerder slungelig onhandig en een beetje onzeker.

Tijdens de Stille Zaterdag dienst, voor mijn gevoel zit de kerk stampvol, volgens hem viel de opkomst wat tegen, waarin er veelvuldig over water gesproken wordt, giet de dominee, tewijl hij het over het zuiverend vermogen en een nieuw begin heeft (‘En God verdronk al het leven op aarde....’), een glazen kan water leeg in een doopfont. Hij doet dat op dusdanige wijze dat ook hij een vloedgolfje veroorzaakt en tot grote hilariteit van het rijtje ginnegappende pubers voor mij, de rest van de dienst rond loopt met een enorme natte plek op zijn witte gewaad. Natturlijk, geheel in overeenstemming met de viering waarvoor men in de kerk is samengekomen, net ter hoogte van waar zijn kruis zich moet bevinden.

Ik heb met de jonge dominee afgesproken omdat ik wel wat meer zou willen weten van de sociale problemen die zich achter vele voordeuren in Nieuw Buinen zouden bevinden. Maar veel kom ik daar niet over te weten. ‘Die mensen zijn we sowieso al kwijt, die komen niet meer in de kerk’. De dominee blijkt zich meer met zieken en sterfenden bezig te houden. De voedselbank wordt wel door zijn kerk georganisseerd maar daar heeft hij eigenlijk niks mee te maken.

De man die hem ‘ijspegel’ noemde, zegt ‘Hij is nieuw hier, hè. Hij weet niet wat hier allemaal voorgevallen is. Zijn voorgangster was met grote regelmaat in de probleembuurt te vinden.’ De dominee is nu bijna een jaar in Nieuw Buinen aan het werk. Het is zijn tweede gemeente. Tussen de regels door meen ik te begrijpen dat het bij zijn vorige aanstelling niet allemaal even vlekkeloos was verlopen. ‘Niet dat ik daar met slaande deuren vertrokken ben, maar soms is het voor beide partijen goed om uit elkaar te gaan en opnieuw te beginnen’. Ook hier loopt het nog wat stroef hoor ik van gemeenteleden. ‘Wij waren nogal modern, met nieuwe media, een beamer en een scherm in de kerk. We hadden soms zelfs You Tube filmpjes. Met hem is het allemaal weer wat traditioneler geworden. Wat saaier’. Gelukkig komt hij langzaam een beetje los. Een beetje. De dominee was flink diep ingevroren.

Ik vraag hem wat hij  en de gemeenteleden van de dans-performance vonden die de ginnegappende jongeren op Stille Zaterdag opvoerden onder de preekstoel en in de door hem veroorzaakte plas water. Een playback- en dans-act van een met heftige gitaren aangestuurde EO-jongerendag gospel. Ik vond het best onverwacht en heftig. Niet als act, maar binnen het beeld dat ik van een Protestantse kerk had.
 ‘Dat vinden de mensen leuk hè’ zegt de dominee. Wat hij er zelf van vond laat hij in het midden. ‘Iets met jongeren en popmuziek. Dat geeft ze het gevoel dat de kerk met haar tijd mee gaat.’

‘Hij heeft ook met de dominee gesproken’ zegt de man tegen zijn echtgenote, terwijl ze een, misschien wel veelbetekende, blik uitwisselen.

‘De dominee?’ zegt de vrouw. ‘Maar die is helemaal niet van hier’